Ik weet nog goed hoe ik me voelde toen ik voor het eerst aanschoof bij de therapiegroep. Alsof er voortdurend donkere wolken boven mijn hoofd hingen en mijn gedachten maar bleven rondcirkelen. Alles was veel. Te veel.
De groep was niet mijn eerste keuze. Eerlijk gezegd vond ik het behoorlijk spannend en bovendien lag het volledig buiten mijn comfortzone. Ik was gewend mijn problemen alleen te dragen en vond het lastig om mijn kwetsbaarheid te delen, laat staan in een groep met onbekenden. Maar het was de enige mogelijkheid om snel ergens terecht te kunnen. Dus ging ik, met twijfels, maar ook met de stille hoop dat het iets zou brengen.
In het begin lukte het me nauwelijks om woorden te vinden. Wat er in mij leefde voelde als een warboel. Ik wist niet goed wat ik nodig had, mijn hoofd draaide overuren en mijn lijf protesteerde. Praten leek onmogelijk: uit schaamte en omdat ik zelf geen overzicht had.
Dit bracht mij op het idee om te gaan mindmappen en woorden te geven aan de chaos en drukte in mijn hoofd. Omdat ik voor mijn gevoel verschillende ‘rollen’ vervulde in mijn leven – zoals moeder, partner, zus, vriendin, medewerker en collega – werkte ik de mindmap uit vanuit die kanten van mezelf. Om duidelijk te maken dat het om mijn gedachten ging, gebruikte ik denkwolkjes zoals in stripverhalen. In elk wolkje schreef ik de rol en daaronder noteerde ik in kleur wat mij energie gaf en wat mij uitputte.
Als moeder schreef ik in groen: wandelen met mijn zoon – dat gaf me kracht. Maar ik schreef er ook in rood: gespannen relatie met mijn dochter – dat kostte me energie en maakte me verdrietig.
Als medewerker schreef ik in groen: een project dat me energie geeft, maar in rood: de werkdruk die me uitput.
Het mindmappen gaf mij houvast, een manier om mijn gedachten te ordenen en een plek te geven. Er ontstond rust in mijn hoofd, waardoor ik mijn tekeningen (mindmaps) verder ging uitbreiden. Stap voor stap in de therapie maakte ik aanvullende mindmaps. Het breide zich meer uit. Ik begon ook meer belangrijke gebeurtenissen te verwerken. Elk denkwolkje stond daarbij voor een belangrijke gebeurtenis in mijn leven. Zo werd zichtbaar welke ervaringen mij hadden gevormd en waar de pijnpunten zaten. Steeds weer gebruikte ik de kleuren rood en groen om uit te drukken wat er speelde qua emotie en beleving. Het gaf me overzicht zonder dat ik alles direct hoefde uit te spreken.
Het uitspreken en delen kwam uiteindelijk ook. Ik herinner me nog hoe mijn handen trilden toen ik mijn eerste vel met denkwolkjes in de groep liet zien. Het voelde alsof ik mijn chaos letterlijk op tafel legde. Even bleef het stil. Toen zei iemand zacht: “Oh… dit herken ik zó.” Die ene zin gaf me lucht. Niet omdat mijn chaos verdwenen was, maar omdat ik voelde dat ik er niet alleen in stond.
Langzaam groeide er meer ruimte. In de groep werd niet geoordeeld, maar geluisterd en meegeleefd. Soms was dat bijna pijnlijk, juist omdat het zo zacht was. Maar precies daardoor durfde ik stukje bij beetje meer van mezelf te laten zien. Met de steun van Annelies, die warm en betrokken begeleidde, en de herkenning van de anderen, vond ik mijn weg.
Terugkijkend zie ik vooral dit: herstel gaat niet in rechte lijnen. Eerst voelde alles als een warboel, maar kwetsbaar durven zijn, eerst op papier en daarna hardop, bracht verbinding. Door te delen merkte ik dat ik het niet alleen hoef te dragen. Dat geeft lucht én veerkracht, ook nu ik nog onderweg ben.
Roos
